trio pjes kut met rood haar

...

Erotic massage maastricht gangbang thuis



trio pjes kut met rood haar

...




Prive prostitutie lekker afzuigen


Dominante meid met rood haar Rood haar en geil Haar neuken tot ze rood is Neuk haar tot ze rood is 1 Sletterige pop met rood haar buiten gedaan Dame in rood stript voor jou Roodharige in rood kostuum neukt met zwarte dildo Rood licht, groen licht JOI game De vrouw in rood neukt de landbouwer Verpakt in rood en zwart Braziliaan in rood wordt geneukt Japanse meid hard geneukt door vriend 1: Vrouw in rood plaagt me Grote lul neukt rood heet Sexy chick in rood ondergoed Tijd om de stad rood te kleuren 1: Hij vindt ze op de meest onverwachte plaatsen: Een waar en zui-.

Dat doet Van Ostaijen in Bezette Stad allerminst, maar het feit dat er in de tekst wél sprake is van een gevecht tegen deze vormen van onzuiverheid verleent de bundel in de ogen van Westerlinck alsnog enig krediet. In dit opzicht wijkt zijn interpretatie dus af van die van Van Ostaijen zelf. De nagestreefde zuiverheid was bereikt. Alle valse juwelen waren afgelegd: Hij werd waarschijnlijk dagelijks geconfronteerd met mensen die met gelijkaardige geloofs- problemen worstelden en telde wellicht ook onder zijn studenten steeds vaker jongeren die de absurditeit van het bestaan scherp aanvoelden.

Het feit dàt Van Ostaijen nog enig metafysisch gevoel had, was voor hem - in een tijd waarin hij vooral aandacht voor het materiële zag - waarschijnlijk al een pluspunt. Het feit echter dat het hier een negatieve metafysica betrof, bleef problematisch: De confrontatie tussen twee van zijn absolute Vlaamse lievelingsdichters - een relatieve tijdgenoot en een verre geloofsgenoot - valt uiteraard in het voordeel van Gezelle uit, maar voor een lezer in de jaren vijftig van de twintigste eeuw was Van Ostaijen misschien toch wel een belangrijker auteur:.

Van Ostaijen was voor hem in dat opzicht een ideale stem: In deze context heeft Westerlinck het niet langer over Gezelle, maar het is duidelijk dat die vanzelfsprekend-gelovige in dat opzicht minder interessant was.

Los van zijn belangrijke poëtische verdiensten zijn strijd tegen retoriek, sentimentaliteit en cerebraliteit. De drang naar een groots en meeslepend leven, de durf die nodig is om het absolute na te streven - Van Ostaijen had ze, aldus Westerlinck, en ze verlenen hem een plaats in het heiligdom der kunsten waar ook Dante, Hadewijch, Hölderlin, Rimbaud en Van Gogh thuishoren. Hij keert zich bijgevolg radicaal tegen een uitspraak van Vermeylen die - dertig jaar na zijn eigen smeekbede om zo'n dichter - de strevers naar het absolute had gedesavoueerd.

Westerlinck wordt er zelf lyrisch van: De man was altijd al op zoek geweest naar het wezen der dichtkunst. Een opvallend verschil met de Van Ruysbeek van een kleine twintig jaar vroeger is echter dat die toen niets van de zuiver lyrische Van Ostaijen moest weten. Hij had zich toen zelfs expliciet aangesloten bij de strenge afwijzing van die stroming in Westerlincks Het Schoone Geheim cf. Er was intussen dus een en ander veranderd in Van Ruysbeeks poëtica en die merkwaardige evolutie laat zich eens te meer mooi illustreren aan de hand van zijn omgang met Van Ostaijen.

Nadat hij in zijn laatste bijdragen voor Arsenaal beklemtoond had dat de dichtkunst dringend uit zijn impasse moest zien te geraken en dat een kritische her-denking van het recente poëtische verleden daartoe een probaat middel kon zijn cf. In theorie én praktijk onderzocht hij zelf wat poëzie voor hem kon en moest zijn en in talrijke essays en brieven heeft hij van deze zoektocht verslag gedaan.

Ondanks zijn altijd al relatief open houding tegenover vernieuwende tendensen was het zeker niet zo dat hij het poëtische experiment meteen enthousiast omhelsde. Het gedicht zal dus zijn: Ik zou zelfs zeggen dat inhoud de hoofdzaak is.

Van Ostaijen zelf had dat gelukkig niet gedaan, aldus Van Ruysbeek, want niet zijn onbelangrijkste late gedichten spreken zijn eigen theorie over de inhoudsloosheid van de poëzie tegen. En hetzelfde geldt voor die onverlaat van een Burssens die het nochtans had gewaagd om Dante en Goethe als dichters buitenspel te zetten omdat ze geen zuivere poëzie hadden geschreven. Een jaar later was hij nog niet echt radicaal van gedachte veranderd.

Zijn houding tegenover het surrealisme is in dat opzicht al even symptomatisch als zijn Van Ostaijenvisie. Hij formuleert ze overigens in quasi identieke termen. Ook het surrealisme had voor hem duidelijk zijn verdiensten: Een in de dichtkunst belangrijke uiting van die ratio en beschaving is de volzin.

Het ging wezenlijk om dezelfde kwestie: Hij laat dan ook niet na op het ironische van de situatie te wijzen: Van Ruysbeek begrijpt deze overdrijving van de kant van Walravens. En ook hier is Van Ostaijen het historische voorbeeld:. Het was niet de eerste en ook niet de laatste keer dat een criticus beweerde te weten in welke richting Van Ostaijen geëvolueerd zou zijn en zeker in het eerste decennium na de oorlog - toen de strijd tussen vernieuwers en traditionelen nog volop aan de gang was - werd geregeld gesteld dat hij vast en zeker naar de klassiekere versvormen zou zijn teruggekeerd cf.

In de dialectische visie van Van Ruysbeek impliceerde dat overigens geen eenduidige regressie ; het goede van de traditie en het goede van de vernieuwing zouden uiteindelijk in een superieure symbiose samenkomen. Of in de termen van de vroege jaren vijftig: Waar het precies in de kunst om ging werd niet verduidelijkt, maar aangenomen kan worden dat ze een combinatie van kwaliteit en pluralisme op het oog hadden.

Walravens' bewering dat die poëzie de adequaatste uitdrukking van de nieuwe tijd was, moest dus verworpen worden. En ook zijn eenzijdige voorkeur voor het intuïtieve en afkeuring van het rationele kon op weinig appreciatie rekenen bij Van den Weghe. Met de technische premissen van de nieuwe dichters was het al niet beter gesteld: Waarna een bloemlezing gedichten volgde van, onder meer, de bepaald niet experimentele Jos de Haes, Jan van den Weghe en Pieter De Prins.

Ouderwets neo classicistisch waren deze gedichten echter ook niet. Het werk van redactrice Clara Haesaert kan model staan voor deze strekking-die-eigenlijk-geen-strekking-wou-zijn zoals het blad geen poëtica wou hebben. Jonckheere o stond zelf uiteraard als een relatief klassiek dichter bekend cf.

Hoe kan het, dat twee dichters die al jarenlang bevriend zijn - Van Ruysbeek was in gedebuteerd met een essay over Jonckheere cf. De reden ligt wellicht juist in het feit dat ze elkaar goed kenden en dat de ene zich jaren voordien als exegeet van de andere had gemanifesteerd; nu hun wegen uit elkaar aan het lopen waren en Van Ruysbeek steeds meer voeling begon te krijgen met de experimentelen, kreeg deze epistolaire dialoog iets van een gecamoufleerde vadermoord.

Van Ruysbeek had die waarschijnlijk voelen aankomen en heeft er alles aan gedaan om hem te vermijden. Behalve een literaire vadermoord was deze briefwisseling voor hem dus ook een gevecht met een deel van zichzelf. En in deze context uiteraard het belangrijkst: Het vertrekpunt van de discussie is de weinig subtiele manier waarop Jonckheere in zijn studie over Aafjes korte metten had gemaakt met de nieuwe dichtkunst.

En al meteen ziet Van Ruysbeek zich genoodzaakt een argument te hanteren dat radicaal ingaat tegen wat hij nog maar enkele maanden eerder zélf had beweerd: In zijn antwoord, waarin hij als kustbewoner doorlopend zeemetaforen gebruikt, geeft Jonckheere aan dat hij de nieuwe poëzie niet moet, omdat ze.

Van Ostaijen had bewezen dat het mogelijk was ànders te schrijven en toch de normale poëtische middelen intact te laten: Hij bekeek de zaken eenvoudig anders en kon daardoor zijn syntaxis andere regels doen aannemen en de gebroken associaties volgens een onverwacht ritme doen dansen. Los daarvan nog, is Van Ruysbeek er op basis van ontwikkelingen in de wetenschappen en de filosofie van overtuigd dat er een nieuwe levensvisie aan het groeien is.

Nieuwe inzichten in de fysica en de groeiende aandacht voor het paranormale leiden allemaal in dezelfde richting: De dualiteit geest-stof zou wel eens onbestaande kunnen zijn. Dat de ontwikkeling van de lyriek op die manier verloopt, had Jonckheere eigenlijk zelf al aangegeven, maar hij scheen het niet te beseffen: Wij bekijken de wereld anders.

Jonckheere heeft dat wellicht ook gemerkt en haalt de grote middelen boven dit is het chantagemoment waarover ik het had. In plaats van op de argumenten van zijn collega in te gaan, stuurt hij een klassiek rijmend gedicht op dat hij recent schreef over zijn blinde zoontje. Het is een hard oordeel, maar geen nieuw.

Van Ruysbeek hanteert hier immers precies hetzelfde argument als Van Ostaijen deed in zijn strijd met Alice Nahon: En Van Ruysbeek schrijft: Dat was een begrijpelijke tactiek: En dat bleek niet veel te zijn. Van Ruysbeek had de tactiek door en begon zijn volgende brief als volgt: Door een lokkende sirenzang te beïnvloeden?

Jonckheere beseft dan dat hij de schade alleen nog kan beperken door een oude jezuïetentruc toe te passen: En dus zet hij zelf een stap in de richting van zijn tegenstander. Eigenlijk was hij zelf ook wel geïntrigeerd geraakt door die nieuwe poëzie en hij was er zelfs al door beïnvloed: Thans betrap ik er mezelf op dat ik mijn verbeelding moet laten spelen, of werken, zonder dat rede en begrip er zich onmiddellijk mee bemoeien.

Niet de overgave in de poëticale strijd, maar de overgave aan het gedicht, het besef dat een totaal rationeel begrip onmogelijk is en dat dit niet eens betreurd moet worden. Op de weg naar het echte inzicht in de nieuwe poëzie neemt Jonckheere hier een belangrijke horde.

Van Ruysbeek weigert echter ook deze uitgestoken hand: Ik zag plots dat mijn verzen, qua poëzie, qua poëtisch gehalte, qua poëtische essentie, onbestaande waren.

Een totale omwenteling van mijn instelling op de poëzie was noodzakelijk. En toen die twee hun grote revolutie doorvoerden, was daar tenminste niet zoveel eenzijdig gescheld bij te pas gekomen: Van Ruysbeek ziet de val, en ontwijkt ze door er fluks overheen te springen: Zo radicaal is de vernieuwing dus, maar vooralsnog duidt Van Ruysbeek het verschil met Van Ostaijen niet aan.

Eén troef heeft Jonckheere hierna nog. Hij kiest lukraak een gedicht van Claus om aan de hand daarvan aan te tonen dat het niet voldoet aan de premissen van de nieuwe dichtkunst. Van Rusybeek is verbluft: Neen, een gedicht moet je met al die faculteiten tegelijk lezen en genieten. Aan alle vereisten voldoet het echter niet: Van Ostaijen's gouden regel: Dat blijkt later nogmaals, wanneer Van Ruysbeek één keer impliciet en één keer expliciet een Van Ostaijenargument aanhaalt.

Het eerste geval gaat over al vallen de woorden niet aseïteit en formele noodzaak. Geen enkele stoplap, geen poëtisch vulsel meer. Rimbaud kon dat, Mallarmé ook. Voorlopig blijft het, in een latere brief, bij de suggestie dat Van Ostaijen soms in die krachttoer slaagde, omdat zijn basisopvatting over de poëzie de juiste was: Een in het metafysiese geankerd spel met woorden.

Deze definitie is altijd geldig. Slechts het bewustzijn van dit metafysische ontwikkelt zich, is vandaag reeds iets anders dan bij Van Ostaijen en zie ik morgen worden in de richting die ik u geschetst heb. Dat is de plaats die Van Ostaijen inneemt in het poëtische denken van Erik van Ruysbeek. Het punt waar hun wegen opnieuw uit elkaar lopen heeft dan inderdaad juist te maken met die nieuwe metafysische toekomst waarvan Van Ruysbeek droomt: Het boekje synthetiseert de ideeën die in de correspondentie met Jonckheere aan bod waren gekomen en werkt ze verder uit.

Vooral de filosofische kant diept hij uit. De moderne poëzie mag zich, in het spoor van het surrealisme, vermeien in het intuïtieve, omdat de wereld dat ondanks alle technische uitvindingen ook wordt: Het hoeft ook niet: Langzamerhand leren we de wereld en onszelf zien als wat we eigenlijk zijn: Alles in het heelal is en heeft energie. In de dichtkunst moet deze nieuwe wereldvisie uitgewerkt worden door, zoals gezegd, het intuïtieve een grotere rol te laten spelen.

Toch wordt de ratio niet helemaal afgeschreven. Van Ruysbeek schetst zelfs een tegenbeweging die hij onder meer bij René Char ziet: Zijn oude syntheseideeën hebben hem dus niet verlaten, maar vele andere opvattingen wel.

Waar hij vijf jaar eerder nog had beklemtoond dat van alle eigenschappen van het woord de betekenis de belangrijkste is cf. De vroegere secondanten hebben het alleen voor het zeggen: En zo komen dus ook hier, hetzij uit de theorie, hetzij uit de praktijk, de kernstukken van Van Ostaijens poëzieopvatting terug in een poëtica die dertig jaar later wordt geschreven: Intussen was hij natuurlijk als dichter zelf ook geëvolueerd.

Deze zonder meer overgenomen stijlmiddelen waren een zwaktebod, me dunkt. Van Ruysbeek is hier nog volop op zoek naar eigen woorden en beelden om zijn, in wezen, grens ervaringen uit te drukken en intussen graait hij gretig in het repertoire van een vorige generatie die gelijkaardige ambities had gekoesterd.

Dat hier geen alledaagse theekransjes worden beschreven is immers duidelijk. Zelfs de astrale en dus nog niet volledig immateriële elementen kunnen hem dan niet meer raken: Dat hij - net als eerder ook Marcel Obiak cf. De dichter tracht, traditiegetrouw, de boven zintuiglijke extase te suggereren door middel van synesthesieën.

Alle dimensies vervallen, er is geen begin en geen einde. Ook seksualiteit is zo'n grenservaring en veel van de gedichten in deze bundel kunnen gelezen worden als beschrijvingen en evocaties van de liefdesdaad:. Deze erotische beelden passen helemaal in de lichamelijkheidscultus van de experimentele dichters. Dat is ook zo in dit concrete gedicht: Hier is uiteraard ook een minder symbolische lectuur mogelijk: Die sponsen kunnen metaforisch voor een hoofdkussen staan, maar ook voor de ogen van de ander.

De partners gaan via hun ogen in elkaar op. Dat azuur kan verwijzen naar de blauwe kleur van de ogen, maar uiteraard ook naar het hemelgewelf.

Maar na de witregel verandert dat: En ook de strijd zelf van de dichter komt aan bod: Het grote en het kleine gaan dan in elkaar op. Met andere woorden, zij bevinden zich nog in het stadium van involutie in het stoffelijke, dit laatste is er nog sterker voelbaar in. Even vóór het zwijgen der mystiek. Precies dezelfde gedichten vond hij in zijn Grondslagen nog teveel de producten van een vorige, te weinig vergeestelijkte levenswijze cf.

En ook op zijn Gezellestelling uit begin jaren vijftig komt hij terug. Van Ruysbeek verwerpt bijgevolg ook Westerlincks bewering als zou Van Ostaijen zowel in zijn leven als in zijn werk ten onder zijn gegaan in het niets en de negativiteit. Dat boek markeerde - los van de vele intrinsieke kwaliteiten op het filologische.

Niettemin wil Van Ruysbeek ook bij Hadermanns verhaal een nuance aanbrengen. Hij is het namelijk niet eens met het modernistische geloofspunt dat stelt dat de zinloosheid het nihilisme kan overwonnen worden door het scheppen van een volstrekt zuiver, autonoom kunstwerk.

Absurditeit en nihilisme zijn er dan ook niet aan de orde. Het kunstwerk overwint het nihilisme niet, want buiten het kunstwerk zou dat dan gewoon blijven bestaan.

Een definitieve overwinning van het nihilisme vereist het verwerpen van het nihilisme, aldus Van Ruysbeek. En zo had Van Ruysbeek wellicht ook zijn eigen poëtische droom omschreven. Na de afwijzende passage over hem in het standaardwerk van Vermeylen cf.

Drie jaar later verscheen dan De Vlaamse Letterkunde van tot heden van R. Ondanks zijn scherpe inzicht in de poëtica van de auteur, bleef ook Lissens hem wel uitdrukkelijk interpreteren binnen de door Van Ostaijen zelf aangegeven teleologische lijnen de lange weg richting het organisch-expressionisme. De klemtonen die hij zelf legt zijn vooral van morele en pyschologische aard.

Dat bleek ook toen hij het tweede poëziedeel van het Verzameld Werk besprak voor De Periscoop. De aardschok die de Europese poëzie trof in de jaren vijftig bracht zelfs sommige vernieuwende dichters zelf aan het wankelen.

Die probeerde al sinds de jaren dertig de poëtische productie en evolutie in kaart te brengen cf. Hij nam altijd en consequent het standpunt van de strikte autonomist in; de woordkunst telt, niet de eventuele betrokkenheid bij de problematieken die ook de kranten en cafétogen beroeren. Die mag er natuurlijk zijn graag zelfs, want Rutten schreef echt niet vanuit een door zijn jeugdheld Van de Woestijne ingerichte Ivoren Toren , maar ze kan niet als argument pro ingeroepen worden als de dichters - en Van de Kerckhove functioneert hier vaak als zijn bewijsstuk Nr.

Die uitdrukking vindt Rutten overigens uitermate belangrijk. Dat hij in deze context Van Ostaijen als gezagsargument inroept verbaast dan ook niet. Door zijn evolutie in de richting van wat door Rutten als de Opperste Poëtische Waarheid werd beschouwd, kon Van Ostaijen gelden als dé dichter die zelf al te driftig geëxperimenteerd had en die zijn dwaling had ingezien. Zijn Stravinskycitaat elders in dit essay legt wat dat betreft zijn ware bedoelingen bloot.

De componist had verklaard: Enkel het technisch gecontroleerde resultaat telde. Rutten geloofde in eeuwige en dus klassieke kunst. Het enige doel van modernistische bewegingen was die eeuwige waarden te moderniseren , aan de tijd aan te passen, vitaal te houden.

Dit neemt niet weg dat Rutten - zeker voor een criticus-academicus van zijn generatie - een grote openheid aan de dag legde tegenover de moderne lyriek. Van Hecke en Vercammen zijn intussen inderdaad helemaal van de poëtische horizon verdwenen, en als een eerder klassiek gerichte belijdenislyriek opnieuw een kans heeft gekregen tijdens en na de experimentele storm van de jaren vijftig, dan was dat bij die dichters die zich niet schroomden om moderne beelden te gebruiken Jos de Haes, bijvoorbeeld of een schijnbaar eenvoudig parlando te hanteren de nieuw-realistische dichters, cf.

Deze woordkunst-traditie leek intussen gelukkig in ere hersteld en met veel genoegen tekende Rutten de lijn Van Ostaijen-Burssens-Claus uit. Rutten had zich, zoals eerder al bleek cf. Alvast wat de Angelsaksisch opgevoede Cami, de Franstalige Bontridder en de polyglot. Claus betrof, vergiste hij zich schromelijk. Maar zijn bedoeling was duidelijk: Walravens kreeg zijn eigen argumentatie niet Van Ostaijen, wel de Franse en Angelsaksische tijgenoten zijn bepalend, cf.

De term bestond nog niet, maar anders had Rutten Walravens en co zeker verweten te lijden aan anxiety of influence. Van Ostaijen en niemand anders stond aan het begin van de heropleving van de Vlaamse poëzie.

Toen Rutten in een aantal van zijn Vlaamse Gids -kronieken bundelde tot de gefragmenteerde poëziegeschiedenis Nederlandse Dichtkunst van Kloos tot Claus was Van Ostaijen niet toevallig de belangrijkste rode draad in zijn betoog. In publiceerde ook Pieter G. Buckinx een proeve van literatuurgeschiedenis. Die laatste was overigens zelf bepaald niet onder de indruk: Buckinx heeft inderdaad voor zowat iedereen een goed woord over. De door andere literatuurhistorici niet eens vermelde A.

Buckinx recycleerde ook hier - zoals hij voortdurend deed - stukken en brokken van oude teksten, en dit stukje kwam al in én in letterlijk voor in De Tijdstroom cf. Niet dat Buckinx verder geen lof had voor Van Ostaijen: Zijn opmerking over het volgens hem voortijdig afsterven van Van Ostaijen dus vooraleer hij een écht groot dichter was geworden moet waarschijnlijk ook in die context gelezen worden: Het gevoel dat ze het hier over verschillende Van Ostaijens hadden was overigens wederzijds.

Dit geldt bij uitstek voor Remy C. Eerder bleek al hoe hij zich identificeerde met de verdoemde dichter Van Ostaijen cf. Het gedicht dient voor Van de Kerckhove dus duidelijk niet als verstrooiing voor het slapengaan. Via het woord en het gedicht hoopt de dichter zijn geschokte geloof in de mens en het leven te kunnen herstellen. Hij gaat er niet vanuit dat dit lukt het eerste woord is niet toevallig: Enkele van de belangrijkste thema's en motieven van De Feesten van Angst en Pijn komen hier terug: Het zuiverheidsverlangen waar Walravens zo vaak over sprak naar aanleiding van de Vlaamse experimentele poëzie cf.

Die zuiverheid wordt overigens niet alleen verbaal nagestreefd. Onder meer door deze elliptische zinsconstructies wordt het gethematiseerde roeseffect extra gesuggereerd.

Een ander gevolg van deze techniek is dat de resterende, afzonderlijke woorden beter kunnen resoneren. In sommige gedichten wordt de reductie zover doorgevoerd dat er slechts een of twee woorden per versregel staan afgedrukt. Soms kloppen de zinnen syntactisch wel, maar worden ze bewust zo sober gehouden dat ze hun sonoriteit extra kunnen uitbuiten.

Het zijn echter wel diens ideeën die worden vertolkt: Centraal in de bundel staat immers een reeks gedichten waarin Van de Kerckhove verbale portretten van steden probeert te schrijven, meer bepaald: De frivoliteit van de hier gevarieerde late Van Ostaijen ontbreekt uiteraard in deze evocatie van een van de symboolsteden van de oorlog.

Van heroïek is er hier echter geen sprake. Alles staat in het teken van de dood. De bundel bevat verder enkele. Op een bepaald moment - net als in Bezette Stad is er sprake van een communistische revolutie - wordt het grote voorbeeld zelfs herhaaldelijk met naam genoemd:.

Dit zijn veel meer dan wat toevallige verwijzingen. Niet alleen wordt Van Ostaijen in één adem genoemd met zijn Russische collega-dichter-revolutio-. Van Ostaijen lijkt in alle opzichten een model voor Remy van de Kerckhove: Alle gekende esthetiek werd in een wanhopig-cynische geste overboord gegooid. Aan de gekweldheid van Van de Kerckhove veranderde de volgende jaren weinig.

De titel van zijn volgende bundel Een kleine ruïnemuziek beloofde. Vanaf de allereerste woorden maakte de dichter, via een oxymoron en dus met alle contradicties vandien, duidelijk wat een gedicht voor hem moest zijn: Door haar potentiële eeuwigheidswaarde kon de poëzie loutering brengen en elk absurd verlies oorlog, dood compenseren. Dat was, opmerkelijk genoeg, Van de Kerckhoves visie op de autonomie van het gedicht: Hoewel hij zelf beschouwd wordt als dé ethische dichter bij uitstek van zijn generatie, zag Van de Kerckhove het gedicht dus als een onafhankelijke, elke begrenzing transcenderende kracht.

Het ware gedicht laat zich niet knechten. Hoezeer schrijven voor Van de Kerckhove ook een therapeutische waarde had, blijkt uit de slotstrofe: De vraag of het dat ook voor de lezer doet, en of de verder afgedrukte gedichten in deze bundel de verhoopte eeuwigheidswaarde hebben laat ik gemakshalve onbeantwoord. Dit is het slot:. Van de Kerckhove permitteert zich misschien meer vrijheden dan Van Ostaijen de syncope is wel erg lang , maar het blijft moeilijk om dit soort gedichten niet als wat twijfelachtige pastiches te zien.

Wie Lampo hier op het oog heeft is me niet duidelijk. Gezien het tijdstip van deze recensie september sloeg het wellicht niet op de latere Tafelronde -dichters, want die hadden zich op dat moment nog niet echt geout als Van Ostaijenfans en al helemaal niet als herauten van de vernieuwende poëzie cf.

En ook Van de Kerckhoves vrienden uit Tijd en Mens komen niet echt in aanmerking. Hij stelde uitdrukkelijk en helemaal in de lijn van wat Lampo twee maanden later zou schrijven: Dat kwam ook niet in zijn kraam te pas, natuurlijk.

Hem was het ook hier weer te doen om het belangrijke inhoudelijke verschil tussen de dichters, dat rechtstreeks verband hield met de fundamenteel gewijzigde wereld waarin Van de Kerckhove dichtte cf. Mij is, behalve van de toen evenmin als modernistisch geboekstaafde D'Haen, slechts één andere recensie bekend uit deze periode waarin Van de Kerckhove negatief met Van Ostaijen wordt vergeleken.

Ze verscheen in de socialistische zusterkrant Vooruit , maar wel ruim een maand later dan die van Lampo. Deze lacune is misschien te wijten aan de omwentelingen die zich in dezelfde periode voltrokken binnen de redactie van Tijd en Mens. De andere Tijd en Mens 'ers beschouwden zichzelf niet echt als expressionisten. Zij hadden contacten met de Nederlandse atonalen en beschouwden, niet zonder redenen, het expressionisme als een stroming uit het interbellum.

Joosten suggereert dat de belangrijkste poëziebijdragen die Van de Kerckhove in De Derde Ruiter publiceerde, door Tijd en Mens geweigerd zouden kunnen zijn [idem: De oorlog, het geweld, het cynisme, de Europese cultuurcrisis Zelfs binnen de ontwikkeling van zijn eigen neo-expressionistische poëzie leek dit een stap terug voor Van de Kerckhove.

De in de Verzamelde gedichten weggelaten maar in de tijdschriftversie afgedrukte datering van dit gedicht verklaart hoe dat kan: Ook dit gedicht was dus geschreven onder directe invloed van de schokkende oorlogservaringen van Van de Kerckhove cf. En gezien de rest van de teksten in De Derde Ruiter zou dat inderdaad kunnen. Het openingsstuk in het nieuwe blad was geschreven door Ben Lindekens.

Helemaal in de lijn van wat hij als Frank Gerdels had beweerd tijdens het jongerendebat cf. Zo'n tekst paste perfect in het voorgeschreven programma: Over Bezette Stad of Van Ostaijen wordt hier nergens expliciet gesproken, en in dat licht bekeken verbaast dat ook niet: Van Ostaijens werk was altijd analytisch en - vooral waar het de kunst zelf betrof - heel technisch.

Over de technische aspecten van de kunst hadden ze bij De Derde Ruiter echter geen uitgesproken mening. Als artistiek-literair model schuift Lindekens zeer overtuigd Ruimte naar voren en dat lijkt me, gezien het voorgaande, erg logisch; ook bij Ruimte waren ethische kwesties belangrijker geweest dan kunsttheoretische cf.

Lindekens tekent overigens op drie vlakken voorbehoud aan bij Ruimte. Vormkwesties zijn simpelweg niet aan de orde in dit blad. Dat was een neo-classicistische opvatting bij uitstek, zij het dan een die zelfs door een criticus als Westerlinck niet meer met die woorden vertolkt werd cf. De Derde Ruiters waren, kortom, neo-classici met een uitgesproken humanitaire inslag. Voor contemporaine buitenstaanders was dit echter helemaal niet zo duidelijk.

Trouwens, toen hij dit schreef deed het er zelfs al niet meer toe. Het Derde Ruiter -experiment was al na enkele nummers spaakgelopen wegens gebrek aan geld en abonnees. De renegaten Van de Kerckhove en Brulin zouden in december terugkeren in de schoot van de moederkerk, Tijd en Mens. In datzelfde jaar verschijnt ook Van de Kerckhoves volgende bundel, Veronica. Roependen in de woestijn, dàt waren ze. Of zoals Van de Kerckhove schrijft, opnieuw in een als gedicht geversificeerd opstel: Enkele gedichten later staat er: De literatuur leek steeds minder belangrijk te worden voor Van de Kerckhove.

De geborgenheid van het gezin en de actieve daad in het burgerleven hadden de plaats ingenomen van het gedicht. Een jaar later werd Van de Kerckhove benoemd tot adjunct-directeur van het Commissariaat-Generaal van wat later Expo 58 zou.

De volgende jaren werd hij helemaal opgeslorpt door het vele werk dat bij de voorbereiding van de wereldtentoonstelling kwam kijken. Zelf maakte hij de opening echter niet meer mee. Op 2 januari kwam hij in Duffel om het leven bij een verkeersongeval. Enkele dagen voor zijn dood had hij nog aan Raymond Brulez zijn toekomstplannen uiteengezet: Trachten mij nuttig te maken.

Zowel Raymond Brulez als Hubert van Herreweghen merkten terecht op dat de laatste gedichten van Van de Kerckhove veeleer aan Moens deden denken. Daarmee wilden ze overigens zijn eigenheid niet ontkrachten. Het is opvallend dat de retoriek waarmee Boon, Wauters en Walravens over Van de Kerckhove geschreven hebben niet zo veel verschilt van die waarop men tussen pakweg en over Moens sprak.

Hij verkondigde de opstandigheid. Hij beleed de genegenheid voor vrouw en kind. Hij ijverde voor een konkreet gezuiverd samenzijn. Humane kommernissen vormden zijn poëtische inslag. Een rechtstreeks gevolg van die veranderde, gebroken wereld was dat Van de Kerckhove voor de vorm van zijn gedichten tijdelijk bij de Berlijnse Van Ostaijen terechtkwam. De vloekende en woekerende chaos in zijn hoofd vereiste een ritmische typografie op het blad. Dat hij zich daardoor de voor de hand liggende opmerking annex beschuldiging op de hals haalde dat hij een epigoon was, kwam wellicht niet eens bij hem op.

In eerder traditionele poëtische milieus wordt de authenticiteit van sonnettenschrijvers toch ook nooit ter discussie gesteld, en zij maken gebruik van dé. Dat Van de Kerckhove, vooral in de decennia na zijn dood, die clemente behandeling niet te beurt is gevallen, heeft veel, zo niet alles te maken met de status van experimenteel dichter die hem zeer expliciet werd toegeschreven - onder meer door Walravens.

Van de Kerckhove was wel een zoeker, maar hij was niet op zoek naar de poëzie. Als de Vlaamse neo-expressionist bij uitstek, gebruikte hij het gedicht om getuigenis af te leggen. Hij zag het als een romantisch uitdrukkingsmiddel in zijn zoektocht naar een nieuwe mens.

Overigens was die nieuwe mens intussen wel degelijk gearriveerd, zij het niet in de uitvoering waarvan Van de Kerckhove altijd had gedroomd.

Alle oorlogstrauma's werden er onder dikke lagen beton en asfalt begraven. Vrijheid en vooruitgang waren meer dan ooit de ordewoorden. En de weinige jongeren die ook daarvoor niets voelden, voelden zo mogelijk nog minder voor de apocalyptische wanhoop van een Van de Kerckhove. De dichters en critici die tijdens de oorlog hun beslissende adolescentiejaren hadden doorgemaakt waren door die oorlog getekend op een manier die jongeren die in nog kind waren zich onmogelijk konden voorstellen.

Met de ethische accenten die Walravens, Bontridder, Cami en Van de Kerckhove voortdurend legden hadden zij niets te maken. Hoewel hun experimenteerdrift op de vanzelfsprekende belangstelling van Walravens kon rekenenen, bleef ze hem in dat opzicht altijd fundamenteel vreemd. Ondanks het feit dat ze in zovele opzichten radicaal tegenover elkaar gestaan hadden en ook toen nog stonden, waren Walravens en Westerlinck op dat vlak eigenlijk meer met elkààr verwant dan met jonge dichters als Gust Gils of, zoals de progressieve spellingcode het toen voorschreef, karel du bois.

Du Bois en Korun hadden in het gratis stenciltijdschrift taptoe opgericht en daarmee hadden ze meteen de nodige aandacht losgeweekt. De auteur leek zich voorbij goed en kwaad te bevinden, Als zovele romantische jongeren voor en na hem probeerde hij te leven van en voor de kunst en de liefde.

Dat vond Boon op zich wel sympathiek, maar nóg sympathieker was hem het taptoe -feuilleton waarin de redacteurs de vloer aanveegden met literaire coryfeeën als Maurice Roelants en Urbain van de Voorde. En weer was Paul van Ostaijen in zekere zin de inzet van de polemiek. Tijdens de bezetting heb ikzelf als eerste weer een lans voor Van Ostaijen gebroken, in een lang opstel dat een gans en apart nummer van Klaverdrie vulde. Ik stond daar zo goed als alleen mee, want de nieuwste generatie zat nog in de kluiten.

Maar wat ik toen verdedigde was de oogst van Van Ostaijen's experiment, terwijl de jongeren thans willen overdoen wat uitgebloeid is.

En die laatste gedachte werkt hij hier verder uit: Herreman nog onlangs herhaalde: Johan Daisne, trouw medestrijder van Paul van Ostaijen! Het liet zich dan ook aanzien dat er heftig gereageerd zou worden. Het leek wel alsof ze bang waren van het alle verhoudingen in acht genomen toch wel relatieve zwaargewicht Daisne en ze dus gezagsargumenten nodig hadden van auteurs die inderdaad ook enig gezag hadden.

En achteraf gezien was dat misschien wel een correcte inschatting. Daarover gingen de in nummer vier afgedrukte reacties echter niet. Afwisselend zeer ernstig en lacherig-sarcastisch leverden de aangeschreven auteurs stuk voor stuk een verdediging van de moderne poëzie.

Alleen de grootste onder hen, Hugo Claus, voldeed in dat opzicht bepaald niet aan de verwachtingen. Gaston Burssens maakte nauwelijks enkele regels vuil aan de hele kwestie, maar hij slaagde er wel feilloos in de door mij zonet geciteerde Daisneverzen genadeloos tegen de auteur zelf te gebruiken. Ironie was ook hier zijn enige wapen. Zijn antwoorden zijn - net als zijn Van Ostaijenessay in Tijd en Mens cf.

Meridiaan -redacteur Pieter de Prins. Daisnes bewering als zou Van Ostaijen zélf een classicist geworden zijn, hoonde hij weg. Dat Van Ostaijens poëtische vriend en erfgenaam Burssens aan hun zijde meestreed, bewees het ongelijk van Daisne afdoende, vond hij.

Hij zag in de reacties al zijn stellingen bekrachtigd: Daisne was waarschijnlijk zó zeer verrast door wat hij daar te lezen kreeg, dat hij vergat deze tekst voor zijn eigen kar te spannen. Ter afwisseling dienden de woorden: Had hij gelijk een extra argument om te beweren dat alleen de term neo-klassiek dienst kon doen bij de omschrijving van goede poëzie.

En dan kende hij de brief over de alexandrijnen en Von Platen nog niet die Claus aan Walravens geschreven zou hebben [Wildemeersch a: Met, afwisselend, superieure ironie en didactische overtuigingskracht probeert hij de debutant op zijn fouten te wijzen en suggesties aan de hand te doen om zijn werk te verbeteren.

Uit de brief aan Vonck blijkt echter dat hij zich vooral ergerde aan de in deze poëzie gebruikte clichés, die uiteindelijk geacht werden te verdoezelen dat het hier nog steeds heel vaak ouderwetse en al te sentimentele en expliciete belijdenislyriek betrof. In dat opzicht was Claus' opvatting dus niet veranderd. In dat opzicht is het niet zonder belang dat de snelcursus poëzie die Claus aan Vonck geeft een beschrijving van het gedicht bevat die erg verwant is met de organisch-associatieve opvatting die Van Ostaijen in dat opzicht koesterde: Het gedicht van Vonck was langdradig, redundant en miste een dwingend ritme.

Dezelfde onkunde irriteerde Claus op het vlak van de literaire kritiek. Hij had zeer grote. In plaats van kritische dooddoeners en oppervlakkige op-de-kar-springerij wou Claus dat zijn eigen werk naar waarde werd geschat en dat het dus volgens zijn eigen premissen werd bekeken en beoordeeld.

In zekere zin bevond hij zich nu in de positie waarin Van Ostaijen zich bevond toen het expressionismedebat uitbrak cf. Dat hij van de weeromstuit het classicisme begon te bezingen en beoefenen was echter niet alleen het gevolg van de allergische reactie die de hele experimentele hype bij hem had opgewekt, het lag ook helemaal in zijn aard.

Het was ook niet iets dat zich pas in begon te manifesteren. Uiteindelijk waren ook Een huis dat tussen nacht en morgen staat en, vooral, tancredo infrasonic veel gevarieerdere bundels dan de hetzij positief, hetzij negatief op het eenduidige experiment gefixeerde critici hadden gemerkt.

Als Daisne kennis had kunnen nemen van deze brieven en dit gedicht zou hij ze uiteindelijk dus toch niet voor eigen gebruik hebben kunnen inzetten. Wat Claus de zogenaamd progressieve jongeren en critici au fond verwijt is immers niet dat ze té experimenteel zijn. Ze zijn het te weinig. Ze hebben gewoon slaafs het ene isme neo-classicisme verruild voor een ander experimentalisme, atonalisme Brunette pleziert haar nieuwe papa. Mag ik je piemel zien? Vraagt het zusje aan haar broer.

Weet je het zeker mama? Brunette slet word verleid door haar stiefbroer. Stiekem geilt ie op zijn stiefzusje. Zusje oefent pik zuigen met broertje. Onzekere puber klaargetrokken door z'n stiefmoeder. Je eigen zus chanteren. Broer en zus moeten verplicht hotelkamer delen. Hij confronteert zijn zus met stiekem opgenomen beelden. Moeder verlekkert zich aan eigen stiefzoon. Papa onderbreekt slaap feestje van dochter met een stijve lul.

De geheime affaire van broer en zus. Stiefzoon zet mama op een voetstuk. Hij propt hem zonder pardon in zijn slapende stiefmoeder.